
Dit is een bijdrage van Regionaal Archief Alkmaar
geschreven door Frederiek ten Broeke (Met dank aan Conny van Iersel)
Met de invoering van de Algemene wet gelijke behandeling in 1993 en de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor mensen van hetzelfde geslacht in 2001, is de emancipatie van de lhbti+-gemeenschap steeds beter verankerd in onze wetgeving. Toch zijn er voor belangenverenigingen nog altijd belangrijke strijdpunten. Niet alleen op het gebied van de wetgeving, maar ook wat betreft het scheppen en behouden van een tolerante samenleving.
Het COC, de oudste lhbti+-belangenorganisatie ter wereld, die afgelopen december haar 75-jarig bestaan vierde, speelt hierin nog altijd een actieve rol. Ook in Alkmaar en omstreken maakt het COC Noord-Holland Noord (voorheen COC Alkmaar) zich al ruim veertig jaar lang sterk voor de emancipatie van de lhbti+-gemeenschap. Sinds 1978 is het COC betrokken bij de organisatie van uiteenlopende activiteiten, waaronder voorlichtingsbijeenkomsten, disco-avonden en grotere evenementen zoals de Roze Week en Alkmaar Pride.
De tekst loopt door onder afbeeldingen

Shakespeareclub
Het COC vindt zijn oorsprong in de Shakespeare Club, die in 1946 in Amsterdam werd opgericht door de lezerskring van het tijdschrift Levensrecht. De organisatie was een voortzetting van het in 1912 opgerichte Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee, dat als doel had om de rechtsongelijkheid tussen homo- en heteroseksuelen te bestrijden. Met de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog was aan deze vereniging een einde gekomen.
Doel van de Shakespeare Club was in de eerste plaats om een veilige ontmoetingsplek te bieden aan de homoseksuele gemeenschap. In 1947 kreeg de club een eigen ruimte in Amsterdam, waar de bijeenkomsten voorlopig een gesloten karakter behielden. Ook in andere grote steden werden afdelingen opgericht. Daarbij kampte men vaak met een gebrek aan huisvesting en een scherp toezicht van de autoriteiten.
Bredere acceptatie
Toch kwam de ondergronds opererende vereniging geleidelijk tot bloei en groeide het aantal leden. Meerdere malen werd de naam van de Shakespeare Club gewijzigd: van Cultuur- en Ontspannings Centrum (1949) naar Nederlandse Vereniging van Homofielen-COC (1964) en Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit-COC (1971) – namen waarmee de vereniging zich in de jaren zestig en zeventig steeds openlijker associeerde met homoseksualiteit.
Voor de wettelijke positie van homoseksualiteit in Nederland werd in 1971 een belangrijk succes behaald: artikel 248bis werd geschrapt uit het Wetboek van Strafrecht, waarmee de minimumleeftijd voor seksuele contacten van homoseksuelen gelijk werd getrokken met die van heteroseksuelen.
In reactie op deze maatschappelijke ontwikkelingen en de bredere acceptatie in de samenleving, veranderde het COC van een organisatie die vooral mensen wilde samenbrengen naar een belangenvereniging die zich actief inzette voor verdere aanpassing van de wetgeving. In de jaren tachtig werd het COC gesprekspartner van de overheid op het gebied van emancipatie. Men probeerde maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen door contacten te leggen met sleutelfiguren in verschillende organisaties, waaronder de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH).
Voorlichting en disco-avonden
Met de groei van het COC nam ook het aantal regionale afdelingen van het COC gestaag toe. In 1978 startte een groep enthousiaste mensen onder de naam ‘COC-werkgroep Alkmaar’ met het opzetten van activiteiten in het gebouw van de NVSH aan de Emmastraat. Hierop kwamen zo’n honderd mensen af.
Al gauw volgden meer activiteiten: niet alleen sociëteitsavonden, maar ook voorlichting op scholen en grote evenementen, waaronder het Homofestival in De Vest in 1979, dat met twaalfhonderd bezoekers een groot succes was en in de daaropvolgende jaren navolging zou krijgen. Duizenden mensen konden tijdens deze evenementen kennismaken met het COC. Dit gaf een enorme stimulans aan uitbreiding van de activiteiten.
De tekst loopt door onder afbeeldingen
In 1980 verhuisden de COC-activiteiten van het NVSH-gebouw naar het Hof van Sonoy. In de kelderruimte, waar het kantoor van de werkgroep was gehuisvest, werd gestart met wekelijkse koffie- en spelletjesavonden. In de Ridderzaal werden café-avonden gehouden.
De verschillende evenementen en activiteiten van de COC-werkgroep Alkmaar liepen zo goed, dat op 18 februari 1981 een officiële zelfstandige Alkmaarse COC-afdeling werd opgericht. Verschillende doelgroepen binnen de vereniging kregen een eigen plek met gerichte activiteiten, eigen verenigingsbladen en regionale werkgroepen – waaronder de werkgroep Vrouwen en jongerengroep de Roze Panter.
Alkmaar Pride
Met de komst van een nieuwe eigenaar van het Hof van Sonoy in 1985, moest het COC uitwijken naar een nieuwe locatie. Tijdelijk werden disco-avonden gehouden in het inmiddels afgebroken zwembad ‘De Overdekte’ aan het Canadaplein en in buurthuis De Eenhoorn. Winkelwagentjes werden volgeladen met apparatuur en door de stad gesjouwd om dit voor elkaar te krijgen.
Uiteindelijk vond het COC in 1986 een vaste locatie in een pand aan de Bierkade 14A, dat werd omgetoverd tot een café- en discoruimte. Op verschillende avonden in de week werden activiteiten georganiseerd, waaronder het COC-café, dat mede als coming-outavond dienstdeed, en verschillende feest- en thema-avonden. Ook werden grotere evenementen zoals Roze Zaterdag georganiseerd.
Een belangrijke ontwikkeling was daarnaast de gezamenlijke organisatie met lokale ondernemers van de Roze Week Alkmaar in 2009 en de daaruit voortgevloeide Alkmaar Pride.
De tekst loopt door onder afbeeldingen
Sinds 2000 heeft het COC de structuur van een federatieve vereniging, met regionale lidverenigingen die op landelijk niveau verenigd zijn. Met de fusie in 2005 van COC Alkmaar en COC Kop van Noord-Holland heeft het huidige COC Noord-Holland Noord een omvangrijk verzorgingsgebied gekregen, met onder meer de gemeenten Alkmaar, Beemster, Bergen, Castricum, Den Helder en Texel.
Na een periode van twee jaar met beperkende coronamaatregelen kunnen weer extra voorlichtingen en activiteiten worden opgepakt – en zullen de Alkmaarse grachten eind mei rondom Alkmaar Pride opnieuw feestelijk gekleurd zijn.
In 2020 zijn de archieven van COC Alkmaar geschonken aan het Regionaal Archief Alkmaar. De archieven zullen op den duur waar mogelijk toegankelijk worden. I.v.m. aanwezige bijzondere persoonsgegevens zal echter een groot deel van het archief voor een langere tijd beperkt toegankelijk zijn.

Dit is een bijdrage van Regionaal Archief Alkmaar
geschreven door Paul Post
In Callantsoog, op een aprildag in 1767, sprak een waarzegster Neeltje Eelmers aan. De waarzegster, in het gezelschap van een zoon en een dochter, beweerde dat Neeltje ‘binnen enkele dagen een aanzienlijke schat zou bezitten’. Maar om die in haar bezit te krijgen, moest Neeltje de waarzegster wel eerst wat geld geven. De goedgelovige Neeltje trapte erin en overhandigde de waarzegster ‘twee drie-guldenstukken, twee enkele guldens en een roodbonte neusdoek’. De waarzegster had in de gaten dat Neeltje wel erg goedgelovig was en kwam de volgende dag weer terug met de boodschap dat er meer geld nodig was. De hebberige Neeltje gaf haar nog eens drie gulden en een gouden ring.
Uiteraard kon Neeltje fluiten naar haar geld, het drietal vertrok zonder dat er een schat verscheen. Wat Neeltje niet wist, was dat de zoon in het gezelschap een jonge vrouw was, die haar hele leven al in mannenkleren liep. Haar naam was Marijtje van Hove, ook wel bekend als Alemondus of Almonde Sjouwels. Marijtje was in 1746 of 1747 in Duitsland geboren, en na de dood van haar vader met haar moeder naar Nederland getrokken. Toen Marijtje een jaar of vier jaar was, overleed ook haar moeder. Dat gebeurde in Alkmaar, waar ze alleen met haar broer achterbleef. Haar broer gaf haar jongenskleren, en vanaf dat moment bleef zij als man gekleed door het leven gaan. Naar ze zelf zei omdat zij daar ‘groote zin in had, en die kleederen haer het beste aanstonden’. Ze overleefden door te bedelen en te stelen.
De tekst loopt door onder afbeeldingen
Later ontmoette Marijtje de eerdergenoemde waarzegster, die Aaltje van den Bergh heette. Aaltje, die met haar dochters deel uitmaakte van een groep rondreizende vagebonden, ontfermde zich over Marijtje. De bende trok al stelend en oplichtend door Holland en Zeeland. In dit soort groepen bevonden zich stoelenvlechters, ketellappers, scharensliepen en liedjeszangers. Maar het werk werd veelal gecombineerd met kwakzalverij, oplichting en diefstal.
Wat Marijtje allemaal had uitgespookt kunnen we uitgebreid nalezen in een verslag van de Alkmaarse rechtbank uit 1768, waar ze samen met twee bendegenoten terecht stond. In het eerste verhoor ontkende ze bijna alle misdaden die haar werden aangerekend, maar na het vijfde verhoor was dat wel veranderd. Naast het relatief onschuldige geval van oplichting in Callantsoog, had Marijtje ook deelgenomen aan meerdere inbraken en overvallen.
Van de groep vagebonden waarmee ze die misdaden had gepleegd, was een aantal inmiddels al elders gevangengezet, gebrandmerkt en een enkeling zelfs geradbraakt en opgehangen. De overvallen gingen dan ook vaak met geweld gepaard. De bewoners van afgelegen boerderijen werden meestal vastgebonden, waarna het gehele huis werd doorzocht en ontdaan van alle kostbaarheden, tot levensmiddelen en kleding aan toe.
De tekst loopt door onder afbeeldingen
Lange tijd bleef Marijtje ongestraft, maar toen een van haar bendegenoten, de beruchte Nathan Moses, in het voorjaar van 1768 in Alkmaar werd opgepakt, wist de schout van Alkmaar ook haar snel te vinden, evenals mededader ‘Klein Keesje’ Labans.
De belangrijkste misdaad die Marijtje en de twee medegevangenen ten laste werd gelegd, was een overval die ze in 1766 op de pastoor van een schuilkerkje in Spanbroek hadden gepleegd. De pastoor en zijn meid werden vastgebonden, en huis en kerkje werden zorgvuldig doorzocht en ontdaan van alle kostbaarheden. Niet alleen het linnengoed en de zilveren schoengespen van de pastoor gingen mee, maar ook alle kostbare kerkbenodigheden, van vergulde kelk tot zilveren onderdelen van het kruis. Dat een pastoor en kerk werden beroofd en de slachtoffers vastgebonden werden achtergelaten, leidde tot landelijke aandacht in de pers.
Ook toen twee jaar later de daders werden berecht, was er grote aandacht. Nog op de dag van de terechtstelling verscheen er een boekje bij de Alkmaarse uitgever Jacob Maagh, waarin de volledige tekst van de uitspraak van de rechtbank te lezen was.
Daarin lezen we, dat Marijtje ‘heeft begaan een verregaande goddeloosheid, en dat zij is een fameuze vagebonde, een bedriegster en huisbreekster, een dievegge, een die troepsgewijze met meer dan zes personen sterk bij het land is omzwervende geweest, die zich in bossen heeft verscholen en in tenten gehuisvest’ tot ‘schrik en angst der medemensen’.
De tekst loopt door onder afbeeldingen
De straf voor de op dat moment pas 21-jarige Marijtje en haar twee mededaders was niet mis. Voor alle drie de doodstraf, uit te voeren met ‘de koorde’. Voor mannen betekende dat meestal dat ze opgehangen werden, terwijl vrouwen aan de worgpaal belandden. In de Breedstraat, aan de achterkant van het stadhuis, werd een schavot geplaatst.
Op 7 mei 1768 werden de drie vagebonden ter dood gebracht. Hun lichamen werden niet begraven, maar op het Alkmaarse galgenveld, een eindje buiten de stad, als afschrikwekkend voorbeeld aan de galg gehangen en ‘overgelaeten tot een Prooije voor de Vogele, des Hemels ende injurien van de Lugt’.

Dit is een bijdrage van Regionaal Archief Alkmaar
geschreven door Paul Post
Het is alweer twintig jaar geleden dat Nederland een wereldprimeur had met het eerste homohuwelijk, inmiddels zijn er 20.000 stellen gevolgd. Na Nederland volgden een kleine dertig andere landen. Daar staan dan wel 70 landen tegenover waar homoseksualiteit bestraft wordt met enkele jaren gevangenisstraf tot levenslang, en in bijna 10 landen staat er zelfs de doodstraf op. Tot 1811 gold in Nederland ook de doodstraf, na dat jaar waren homoseksuele handelingen niet meer strafbaar. Maatschappelijke acceptatie was nog wel ver te zoeken.
In de 18e eeuw zijn er in Nederland nog vele honderden mannen vervolgd en tientallen ter dood veroordeeld. In Alkmaar heeft dat voor zover wij weten niet tot de doodstraf geleid. Maar dat het hier ook had kunnen gebeuren blijkt uit de rechtszaken die zich hier in de loop van 1756 hebben afgespeeld. Maar liefst vier mannen werden in dezelfde maand voor ‘sodomie’ veroordeeld. Uit de bewaarde processtukken blijkt dat het om twee rechtszaken gaat. Vermoedelijk heeft de ophef over de ene zaak geleid tot de tweede.
De eerste zaak is die waar de pastoor Daniël Willem Kleef(f) wordt beschuldigd van de ‘Godvergetene en onnatuurlyke boosheyt en gruwelyken sonden van Sodomie’. Die zou hij van jongsafaan hebben begaan met een andere verdachte, Johannes van Helmond. Daarnaast zou hij ook hebben geprobeerd om andere jongens te verleiden. Wat er precies is gebeurd weten we niet, de verklaring die Johannes van Helmond op 13 januari 1756 heeft afgelegd voor de schout van Heiloo, is helaas niet bewaard gebleven. Wel is duidelijk dat Van Helmond heeft bekend. En blijkbaar heeft iemand de pastoor hiervan op de hoogte gebracht, want kort erna, op 16 januari, verlaat hij ’s avonds om half tien op stel en sprong de pastorie om nooit meer in Alkmaar terug te keren.
De tekst loopt door onder afbeeldingen
De pastoor had al eerder voor opschudding gezorgd, bij zijn omstreden benoeming in 1740. Waar de stad de Alkmaarder Kleef als pastoor van de Matthiaskerk wilde, hadden de kerkleiders iemand anders op het oog. Dit leidde tot een machtsstrijd, waarbij de stad dreigde alle katholieke kerken in Alkmaar te sluiten. De kerk moest wel toegeven, en Kleef werd benoemd.
Over de vlucht van Kleef weten we iets meer. Zo blijkt dat zijn vader hem drie kisten met kleding heeft nagezonden. En dat er was betaald voor een brief uit Brabant wijst erop dat Kleef waarschijnlijk in die richting was gevlucht. Verder stonden er bij zijn vlucht nog rekeningen open, waarbij opvallen die van een aderlating door de chirurgijn (12 stuivers), flinke hoeveelheden wijn, waskaarsen, enkele kranten- en tijdschriftenabonnementen, onderhoud voor de kerk en als laatste een nota van de pruikenmaker voor twee jaar ‘pruiken opmaken’. Uiteindelijk is Kleef terechtgekomen in Marseille, waar hij op hoge leeftijd is overleden. Ook Johannes van Helmond wist te vluchten, van hem is verder niets bekend.
Over de andere zaak weten we iets meer, omdat daar wel enige getuigenverklaringen van bewaard zijn gebleven. Op 16 januari 1756, dus op dezelfde dag dat Kleef de benen neemt, vertellen enkele getuigen wat ze een paar maanden daarvoor hadden meegemaakt.
Het verhaal speelt zich af in september 1755, ’s avonds tijdens de Alkmaarse kermis. Net buiten de Kennemerpoort zit in de herberg van Jan Klinkhamer een groep mannen wat te drinken. Een van hen, Pieter Franken, gaat ‘om water te maken’ naar het secreet dat op de binnenplaats staat. Het secreet blijkt bezet door Dirk Demmer, die Franken toeroept dat hij weg moet blijven. Franken vertrouwt het niet helemaal en meldt het voorval aan de herbergier. Omdat het gerucht gaat dat Demmer sodomiet is, besluit de herbergier poolshoogte te nemen. Het lijkt alsof er twee mensen op het secreet zijn en de herbergier vraagt Demmer wat hij aan het doen is. Deze antwoordt dat er niks aan de hand is en dat hij zo klaar is. Als Demmer dan het secreet verlaat, denkt de herbergier in de duisternis nog iemand te zien die snel het secreet uitglipt en zich uit de voeten maakt. Demmer loopt achter de herbergier de gelagkamer in, drinkt snel zijn wijn op en vertrekt.
In de gelagkamer wordt het voorval besproken, en Franken wil samen met een andere klant gaan kijken waar Demmer is gebleven. Ze vermoeden dat hij richting de nabijgelegen Alkmaarder Hout is gegaan, en besluiten die kant op te lopen. Daar zien ze Demmer al snel. Hij staat tegen een boom, niet ver van de ‘Stenen Weg’, samen met een tweede persoon die wordt herkend als Jan Bilderbeecq, de zoon van de doodgraver. ‘Wat voert gijlieden daar uyt?’, roept Franken ze toe. Demmer antwoordt: ‘Ik moet eens kakken’. Ze lopen richting Demmer en Bilderbeecq, die daarop de benen nemen. Heel snel zal dat niet gegaan zijn, want volgens Franken en zijn makker zagen ze duidelijk dat de vluchters ‘hunnen broeken los hadden’.
De tekst loopt door onder afbeelding
Het verhaal gaat al snel rond in Alkmaar, en een goede bekende van Bilderbeecq vraagt hem wat er was gebeurd. Bilderbeecq ‘begon te schreijen’ en vertelt met tranen in zijn ogen dat hij met Demmer ‘ondeugende dingen hadde begaen’, maar dat deze hem hiertoe verleid had.
Dat Bilderbeecq de ‘ondeugende zaken’ zelf toegeeft, maakt het tot een ernstige zaak.
De tekst loopt door onder afbeelding
Dat geldt ook voor de bekentenis van Johannes van Helmond in de andere zaak. Om een doodstraf uit te kunnen spreken moet de beschuldigde een bekentenis afleggen voor de rechtbank. En met de getuigenverklaringen in de hand, en met een pijnbank of duimschroeven achter de hand, zal die er wel komen. Het is dan ook begrijpelijk dat alle vier de beschuldigden Alkmaar ontvluchten, waardoor de doodstraf hen bespaard blijft. De rechtbank kan niet meer dan ze voor altijd verbannen uit ‘den landen van Holland en West-Vriesland’. Als ze zich nog een keer hier in de buurt laten zien staat hen hoogstwaarschijnlijk de dood aan de wurgpaal te wachten.
En zoals ook nu nog mensen vanwege hun geaardheid hun land moeten ontvluchten, waren ook deze Alkmaarders gedwongen hun woonplaats en familie voor altijd te verlaten en hun heil elders te zoeken.