NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies
Frieda Belinfante (1904-1995) was muzieklerares, getalenteerd celliste, de eerste vrouw die in Nederland een eigen symfonieorkest dirigeerde, verzetsheldin en queer. Haar hele leven lang vocht ze voor ruimte om zichzelf te mogen zijn: als half-Joodse, als vrouw in een door mannen gedomineerde muziekwereld en als lesbienne in een samenleving die openheid nauwelijks toeliet. Zelf weigerde ze onderscheid te maken tussen mensen: ‘Je doet iets voor de samenleving als je de mensen muziek geeft en ze muziek laat horen. Als vrouw, als man, als homo of als hetero. Wat maakt dat in vredesnaam uit’.
Frieda Belinfante werd in 1904 in Amsterdam geboren, als dochter van een Joodse vader en een niet-Joodse moeder. Ze wist al vroeg dat ze lesbisch was en kwam hier openlijk voor uit. In de jaren dertig werkte ze als celliste en dirigente bij meerdere orkesten, waaronder het door haarzelf opgerichte Klein Orkest, dat in 1938 een reeks uitvoeringen gaf in het Concertgebouw. Daarmee was Belinfante de eerste vrouwelijke dirigente in Nederland die een professioneel orkest leidde.
Vanaf het begin van de oorlog verzette Frieda zich tegen de Duitse bezetter. Door de toenemende anti-Joodse maatregelen besloot ze in 1940 haar Klein Orkest op te heffen: veel musici waren Joods en ze voorzag dat hun deelname snel zou worden verboden. Ze vervalste persoonsbewijzen, hielp Joden onderduiken en was betrokken bij de Groep 2000 en het kunstenaarsverzet. Toen er in 1942 een fonds kwam van musici, die weigerden zich bij de Kultuurkamer aan te sluiten, verdeelde Frieda de financiële steun en droeg ze bij door haar eigen cello te verkopen.
Omdat het vervalsen van persoonsbewijzen steeds gevaarlijker werd, ontstond het plan voor een aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister aan de Plantage Kerklaan. Frieda was nauw betrokken bij de voorbereiding, maar mocht niet meedoen aan de uitvoering: volgens de groep was dit ’mannenwerk’. De aanslag slaagde, maar verraad leidde tot de arrestatie en executie van een groot deel van de betrokkenen.
Om uit handen van de SD te blijven, dook Frieda onder. Ze vermomde zich als man, onder de naam ‘Hans Kroon’. Haar vermomming was zo overtuigend dat zelfs haar eigen moeder haar niet herkende toen zij elkaar toevallig op straat passeerden. Toen de nazi’s haar op het spoor kwamen was Frieda al gevlucht. In december 1943 vluchtte ze via een lange en gevaarlijke route door België en Frankrijk naar Zwitserland, waar ze de rest van de oorlog doorbracht.
Na de bevrijding keerde Frieda terug naar Nederland, maar ze kon er niet meer aarden. Veel vrienden waren omgekomen, teruggekeerde joden werden kil ontvangen en in de muziekwereld was geen ruimte meer voor een vrouwelijke dirigent. Waar zij vóór de oorlog nog gold als een veelbelovend talent, vond ze nergens meer werk. Toen de AVRO in 1946 een dirigent zocht voor het omroeporkest, kreeg ze te horen: ‘Nee Frieda, geen vrouw!’.
In 1947 vertrok ze naar de Verenigde Staten en bouwde ze in Californië een nieuw bestaan op. In 1954 richtte zij het Orange County Philharmonic Orchestra op, dat zij zelf jarenlang leidde als artistiek leider en dirigent. Toen in 1962 haar contract werd opgeheven, iets wat Frieda toeschreef aan discriminatie vanwege haar geaardheid, verhuisde ze ontgoocheld naar Santa Fe. Ze dirigeerde nog maar zelden, maar bleef haar hele leven lang muziekles geven.
In 1967, toen ze 62 was, ontmoette zij Bobbi Minkin, een tweeëndertigjarige vrouw die haar dochter voor muzieklessen kwam inschrijven. Er groeide een geheime liefdesrelatie tussen hen, die bijna een kwart eeuw zou duren, tot Frieda in 1995 op negentigjarige leeftijd aan kanker overleed.
Via de link bij Meer info vind je nog een object dat het NIOD heeft aangedragen.
