Regionaal Archief Alkmaar
‘Marijtje van Hove, alias Alemondus of Almonde Sjouwels’, werd in 1768 opgepakt door de Alkmaarse schout. Er werden vijf ‘examens’, verhoren, afgenomen waarin de gevangene werd ondervraagd over verschillende begane misdaden: bedelarij, oplichting en het plegen van gewelddadige overvallen in bendeverband – onder andere op de pastoor van Spanbroek. Maar het waren niet alleen de criminele activiteiten die de aandacht van de Alkmaarse gerecht trokken. De gevangene hield zich namelijk niet aan de achttiende-eeuwse gendernormen. De persoon die werd geboren als Marijtje veroorzaakte verwarring door het aannemen van de mannennaam Alemondus, en het dragen van mannenkleding.
De verhoren waren gericht op het achterhalen welke er misdaden er waren gepleegd en wat de rol van de verdachten daarbij was. Alle gearresteerde leden van de bende waarin ‘Marijtje alias Alemondus’ actief was geweest, de bende van de beruchte Nathan Moses, werden verhoord. De rechtbank probeerde ook een beeld te schetsen van de verdachten en hun achtergrond. Daarbij ging de aandacht uit naar eigenschappen die afweken van de norm. De joodse achtergrond van Nathan Moses werd bijvoorbeeld benadrukt. In geval van ‘Marijtje alias Alemondus’ trokken de mannelijke alias en de mannenkleding die “sij” droeg de aandacht.
Op 3 april 1768 werd de verdachte voor het eerste verhoord. De eerste vragen gingen over diens herkomst: ‘Marijtje’ kwam uit Duitsland, werd jong wees en verviel met een oudere broer tot bedelarij. Al snel werd gevraagd “om wat reeden zij gedetineerde zig in manskleederen (waarin zij is geapprehendeert en nog gekleed is) heeft verkleet daar zij een vrouwspersoon is”.
Men wilde weten waarom een “vrouwspersoon” mannenkleding droeg, nog voordat er vragen werden gesteld over de misdaden. Het antwoord: omdat “sij daer groote zin in had, en die kleederen haer het best aenstonden”. “Sij” droeg die dan ook al “van kindsbeen aff”. Men vroeg ook of “mans off vrouwekleederen” werden gedragen tijdens het plegen van de misdaden. Steevast was het antwoord dat die werden gepleegd “in mansgewaet”.
Vervolgens werd gevraagd “off sij zig uytgevende voor een manspersoon, niet de naam van Almondus of Almendes heeft gevoert”. Ja, was het antwoord. De ondervraagde liet weten “dat zij zelfs die naem na haar grootvaders naem heeft aangenomen”.
De verdachte, die als Marijtje werd geboren, leefde dus als Alemondus. We weten helaas niet zeker of die zich altijd en volledig als Alemondus identificeerde, of dat er misschien sprake was van genderfluïditeit. In de ogen van de 18de-eeuwse Alkmaarse rechtbank was hun verdachte en vrouw die zich voordeed als man. En dat zorgde voor verwarring. Hoewel degene die de verhoren op schrift stelde, probeerde consequent de voornaamwoorden ‘zij’ en ‘haar’ te gebruiken, lukte dat niet altijd. Bij vraag 21 van het eerste verhoor schreef hij bijvoorbeeld in eerste instantie: “Zegt toen hij […]”. ‘Hij’ is vervolgens doorgestreept en er is ‘sij’ voor in de plaats geschreven. Iets verderop gebruikte de schrijver weer ‘hij’ – dit keer werd dat niet aangepast.
Onderaan het tweede ‘examen’ zette Alemondus een handtekening (of eigenlijk een kruisje bij gebrek aan een ‘echte’ handtekening), om te verklaren dat “de gedetineerde de vorenstaende articulen met zijne daarop gegeven responsiven duidelijk zijnde voorgelezen […]”. De gevangene verklaarde zo dat het vastgelegde verhoor duidelijk was voorgelezen en inhoudelijk klopte. Ook hier werd in de eerste instantie ‘zijne’ gebruikt, dat vervolgens werd veranderd in ‘haere’.
Uiteindelijk kreeg ‘Marijtje van Hove, alias Alemondus of Almonde Sjouwel’ net als twee medeverdachten, de doodstraf voor de gepleegde diefstallen en overvallen. De anderen kregen de mannelijke doodstraf door ophanging. Alemondus werd veroordeeld tot de vrouwelijke versie van die straf: het wurgkoord.
